Remonstrantie 1610

De Remonstranten en de Remonstrantse Broederschap ontlenen hun naam aan een verzoekschrift of ‚remonstrantie‘, die op 14 januari 1610, in het kader van het toen spelende godsdienstig dispuut over de predestinatieleer, door de aanhangers van Arminius aan de Staten van Holland werd gericht. Het stuk werd opgesteld door Uytenbogaert en, met enkele kleine wijzigingen, ondertekend door Uytenbogaert en 43 andere aanhangers van de opvattingen van Arminius, die zelf in 1609 al was gestorven. Naast een pleidooi voor tolerantie bevatte de Remonstrantie ook een uiteenzetting van de leer van Arminius. Deze was in vijf punten samengevat.
Uiteindelijk werden op de Synode van Dordrecht in 1618-1619 de vijf artikelen van de Remonstranten veroordeeld. Deze veroordeling werd vastgelegd in de Dordtse leerregels. Deze gelden nog steeds in de Protestantse Kerk van Nederland en in verschillende kerken die het woord gereformeerd in de naam voeren.  Dit vormde ook het belangrijkste struikelblok voor de toetreding van de Remonstrantse Broederschap tot het fusieproces van deze kerken (het Samen-op-Weg proces dat in 2004 leidde tot PKN). De tekst van de Remonstrantie zoals die hieronder is gepubliceerd, is overgenomen uit het in 1910 verschenen gedenkboek van dr. H.IJ.Groenewegen, toenmalig hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium.
Toevoegsels en verbeteringen in het handschrift zijn in de tekst opgenomen, doorhalingen weggelaten, en afkortingen voluit geschreven en tussen [] geplaatst.

NADEMAEL men hoe lancx hoe meer verstaet dat de dienaren des Goddelycken woorts die de Resolutie vande Mog. Heeren Staten, aengaende de Revisie van [de] Confessie en [de] Catechismum toestaen, ende daerover bij hare mede-broederen in naedencken gecomen syn, als off sy eenige aenmerckingen opde selve schriften hadden, die sy ter ordinantie van [de] Hooge Overheyt op den Synodum provinciael ofte nationael souden wil-len brengen, om aldaer geexamineert te werden, doorgaens by hooge en [de] lage worden gecalumnieert als off sy souden soecken veranderinge inde Religie, ende oorsake syn van groote twisten en [de] beroerten in dese landen en[de] kercken, ende men vermerct dat de herten van vele menschen daeroor alle dage meer ende meer soe seer worden ontsteken en[de] gealtereert, dat wel lichtelyck uyt soo een groot onverstant groote swaricheden mochten comen t’ontstaen, sonder dat alles wat tot noch toe met waerheyt ter contrarie is geseyt ende verclaert yet sonderlings heeft geoepereert, omder voors[chreven] Dienaren onnooselheyt te doen gelooven, door dien de calumnie even heftich daertegen aendringende by velen tsy uyt onverstant ofte andersins veel meer geloofs vynt alst behoort: Nadien oock de Synodus Nationael off Provinciael inde welcke men het tegendeel hadde connen doen blycken, noch niet en wert gehouden, ende grootelycx te bevreesen staet dat de voors[chreven] calumnie, noch dagelycx met openbare schriften gevoet sijnde, metter tyt wel soe veel velts mochte comen te gewinnen, datmen die naederhant qualyck soude connen stuyten, tot grooten ondienst van onse lieve vaderlant, en[de] sonderlinge der kercken inde welcke Godt ons mede tot herders en[de] leeraers heeft geroepen, mitsgaders crenckinge van onsen goeden naeme en [de] fame, die een yeder en[de] besonder de kerckendienaren naest hare conscientie voor Godt boven al wat hun ter werelt lieff is schuldich syn voor te staen:
Soe ist dat wy ondergeschreven dienaren des Godtlycken woorts, alle tgene voors[chreven] is inden name des Heeren (dien wy daerover dick en[de] menichmael met vuyricheyt des herten gebeden en[de] aengeroepen hebben) rypelyck ingesien ende overwegen hebbende goet jaenoodich ende hoochnoodich gevonden hebben als in desen synde van eenerley sin ende meeninge oock sonder eenige inductie daertoe gebruyct te hebben alles te doen wat nae Godes woort in alle modestie en[de] betamelyckheyt mogelyck is tot weeringe van [de] voors[chreven] sware blamen en[de] calumnien, en[de] stillinghe van[de] gemoederen die door de voors[chreven] onwarachtige stroyingen ontrustet syn, ende dienvolgende mette eerste gelegentheyt, ist noot, Remonstrantie ende Vertooch in onsen naeme te doen overleveren aende Ed. Mog. Heeren myn Heeren de Staten van Hollant en[de] West-frieslant als onse Hooge Overheyt en[de] gebiedende Heeren, in welck Vertooch te doen opden name van de dienaren des woorts die de voors[chreven] Resolutie van hare Ed. Mog. toestaende eenige conside-ratien opde voors[chreven] schriften hebben en[de] deselve volgens hare Ed. Mog. bevel ten deele alreede overgelevert hebben ten deele voorder over te leveren bereyt syn, sonder voor alsnoch onse namen uyt te drucken anders dan met verclaringe dat wy te vreden syn deselve ter belastinge van Hare Ed. Mog. bekent te maken gedaen sal werden ronde oepeninge en[de] verclaringe dat wy gantsch geene veranderinge van Religie en soecken, maer alleen begeeren dat de voors[chreven] Revisie ofte Resumptie van[de] Confessie ende Catechismo by de Mog. Heeren Staten van Hollant ende Westfrieslant eerst, ende daernae mede by de Hoochmogende Heeren Staten G[ene]rael van dese geunieerde Provincien gedecreteert besloten en[de] allen Classen geinsinueert, daer en[de] soo’t behoort onder t‘ beleyt van[de] voors[chreven] onse hooge Overheyt ter eeren Godes en[de] welstant der Gereformeerde Kercken in ‚t werck gestelt moge worden: ofte emmers (indien hare Mog. Ed. t ware by gebreke dat de Synodus Nationael in dese gelegentheyt niet en soude connen gehouden werden ofte om andere oorsaken best vonden de voors[chreven] Revisie ofte Resumptie alsnoch op te schorten) dat in allen gevalle de voors[chreven] Resolutie van hare Mog. Ed. werde gehouden voor Christelyck, loffelyck en[de] Godes woort conform, ende dat dienvolgende de voors[chreven] schriften gehouden en[de] verclaert sullen worden voor soodanich inde welcke yet soude moghen bevonden worden dat verbeteringe noodich heeft, die oock daeromme t’allen tyden syn examinabel ende onderworpen de cen-suyre der selver kercken die de voors[chreven] schriften houden voorde hare, en[de] welcker kercken leden vry staat ter behoorlycker tyd en[de] plaetse hare bedenckingen opde selve indien sy eenige hebben aen te dienen om nae Godes woort geexamineert en[de] de voors[chreven] schriften naer tselve wanneer yet bevonden wierde met het selve niet te accorderen gecorrigeert en[de] verbetert te worden sonder dat die gene die soodanich bedencken heeft ende voorstelt al ware het schoon ongegront daeromme eenige de minste censuyre soude onderworpen syn, oock niettegenstaende sy deselve van te voren hebben onderteeckent alsoo de voors[chreven] onderteeckeninge niet can verstaen worden geschiet te syn sonder dese conditie gelyck oock de voors[chreven] Revisie niet en can verworpen ofte tegengestaen worden sonder de voors[chreven] Confessie inden gront vervaetet int VIIe ar[tikel] vande selve om te stooten, en[de] wederomme in te voeren eenen pausselycken gront byden welcken menschelycke schriften ofte decreten buyten dolinge en[de] genoech in gelycken graet met Godts geschreven woort gestelt worden, t welck wy achten onlydelyck te syn mogende voorts lyden indien het hare Ed. Mog. omme de ruste der kercken soe goet vynden, dat de voors[chreven] Revisie voor desen tyt neergelaten, en[de] tot een bequamer gelegentheyt uytgestelt worde, beheltelyck de voors[chreven] verclaringe over deselve, ende dat middelertyt soodanich formulier van onderteyckeninge derselver schriften indien de selve noodich geacht wort geraempt worde daermede Godes woort niet te cort gedaen noch yemant in syne conscientie buyten behooren geperct en werde.
Ende op dat voorts noch hare Mog. Ed. noch yemant anders en meyne dat onder de voors[chreven] consideratie die wy over de voors[chreven] schriften hebben wat sonderlinigs soude mogen schuylen soe vynden wy oock goet dat aen hare Mog. Ed. inde voors[chreven] Remonstrantie verthoont sal worden van onsen’t wegen dat tgene ons meest inonse gemoeden perst en[de] daer wy de meeste swaricheyt inne hebben syn leerpuncten die wy niet en connen verstaen inde voors[chreven] Confessie en[de] Catechismo begrepen te syn, jae veel eer tegen sommige passagien inde selve strydich ende die wy nochtans sien dat die gene diese dryven niet alleen voor haer persoon houden de voors[chreven] Confessie en[de] Catechismo conform te syn, maer diese oock anderen voor soodanich opdringen, en[de] uyt cracht vande onderteyckeninge derselver schriften op pene van kerckelycke censuyren willen bedwingen te leeren: twelck indien waer ware, ende dat soodanige leerpuncten inde voors[chreven] schriften souden syn begrepen, als neen, wy genootsaect souden syn te verclaren dat de voors-[chreven] Confessie en[de] Catechismus ten opsien van[de] selve poincten souden moeten stryden tegens Godts woort, overmits wy soodanige leer-puncten selve houden strydich met Godts woort: welcke leer-stucken men ook voorhare Mog. Ed. inde voors[chreven] Remonstantie rondelyck oepenen sal, namelyck dese naevolgende.
I. Dat Godt (soe eenige seggen) door een eeuwich en[de] onveranderlyck besluyt uyt den menschen die hy niet als geschapen, veel min als gevallen heeft aengesien, sommige ten eeuwigen leven, sommige ter eeuwiger verderffenisse heeft geordineert, sonder eenige aenmerckinge van gerechticheyt off sonde, gehoorsaemheyt off ongehoorsaemheyt,, alleen om dat hem alsoe gelieft heeft, om de heerlyckheyt syner rechtveerdicheyt en[de] barm-herticheyt (ofte soe andere het stellen) syner salichmakende genade, wysheyt, ende vrye macht te bethoonen: hebbende daertoe oock verordineert middelen dienstich tot uytvoeringe van tselve, ende sulcx oock deur een eeuwich onveranderlyck besluyt; uyt cracht van de welcke die ter salicheyt verordineert syn nootsaeckelyck ende onmydelick moeten salich worden, ende niet connen verloren gaen, ende die ter verdoemenisse verordineert syn wezende verre het meeste deel nootsaeckelyck ende onmydelick moeten verdoempt worden, en[de] niet connen salich worden.
II. Dat Godt (soe andere leeren) willende van eeuwich[eyt] by sich selven een besluyt maken om sommige menschen te verkiesen ende andere te verwerpen, heeft het menschelycke geslachte aengesien niet alleene als geschapen maer oock als gevallen en[de] verdorven In Adam en[de] Eva onse eerste voorouders, en[de] oversulcx de vermaledydinge weerdich, uyt welcken val en[de] verdoemenisse hy voorgenomen heeft sommighe te verlossen en[de] salich te maken, door syne genade tot bethoo-ninge syner barmherticheyt, ende d‘ andere zoe wel ionck als oudt, iae zelff eenige kinderen der bontgenoten en[de] die in den name Christi gedoopt zyn in hare kintsheyt stervende inde vermaledydinge door syn rechtveerdich oordeel te laten blyven, tot verclaringe syner rechtveerdicheyt ende dat son-der eenige aanmerckinge van bekeeringe en[de] geloove inden eenen, ofte onbekeerlyckheyt ende ongeloove inden anderen. Tot uytvoeringe van welck besluyt Godt mede gebruyct soodanige middelen door de welcke de vercoorene nootsakelyck ende onmydelick salich worden, ende de verwor-pene nootsakel[ick] ende onmydelick verloren gaen:
III. Dat desen volgende Jesus Christus de Salichmaker des werelts niet en is gestorven voor alle menschen, maer alleen voor die gene die alsoe opde eerste ofte tweede wyse uytvercoren syn, als synde een middel en[de] Midde-laer geordineert alleen om die salich te maken en[de] geen ander.
IIII. Dat desen volgende de Geest Godes en[de] Cliristi inden genen die op d’een ofte d’ ander maniere uytvercoren syn werct door soodanige cracht der genade die sy niet en connen wederstaen, alsoe datsy niet en connen ofte sy en moeten haer bekeeren, gelooven, en[de] alsoe nootsakelyck salich worden: welcke onwederstandelycke genade en[de] cracht den soodanigen uytvercorenen alleene geschiet; en[de] den verworpenen niet, denwelcken niet alleene dese onwederstandelycke genade onthouden wort, maer
seIfs oock geene noodige en[de] genouchsame genade tot bekeeringe, geloove en[de] salicheyt gegeven wordt; tot welcke bekeeringe en gelove deze well geroepen, genodicht ende gesmeeckt worden wterlick door eenen geopenbaerden wille Gods: maer wordt hun evenwel de inwendige cracht daer toe nodich nyet mede gedeylt door den heymelicken wille Gods.
V. Dat die t’warachtige rechtveerdichmakende geloove eens door sooda-nige onwederstandelycke cracht onifangen hebben, tselve nemmermeer hoe grove sonden sy oock souden mogen comen te doen, geheel noch eyn-telick connen verliesen, maer door deselve onwederstaenlycke cracht soe geleyt en[de] bewaert worden dat sy niet en connen ‚t eenemad vervallen en[de] verloren gaen.
Van dese voorverhaelde puncten verclaren zy Remonst[ranten] niet te konnen verstaen, dat deselve ofalle ofte eenich vandien inde Confessie ofte Catechismo deser Kercken vervaetet en[de] uytgedruct syn; maer houden datmen inde selvige schriften plaetsen vynden sal die daertegen stryden: Ende en connen deselve in allen gevalle niet houden Godes woort conform noch stichtelyclk, maer gelooven dat se stryden tegens Godes woort en[de] seer outstichtelyck jae schadelyck sijn: derhalven zij deselve de schapen Christi en[de] Christelicke toehoorderen niet en souden connen als een goede gesonde spyse der zielen voordragen noch leeren, ofte wy moesten anders uyt Godes woort onderricht syn.
Ende op dat uwe Mog. Ed. met een mogen verstaen, wat de Remonst[ran-ten] vandie selvige materien gevoelen en[de] leeren, soo verclaren zij dat haer gevoelen daervan is sulcx als volcht.
I. Dat Godt door een eeuwich onveranderlyck besluyt in Jesu Christo synen Sone eer des werelts gront geleyt was besloten heeft uyt het gevallene, sondige, menschelycke geslachte die gene in Christo, om Christi wille, en[de] door Christum salich te maken die door de genade sijns H. Geestes indenselven sijnen Sone Jesum gelooven, en[de] inden selven geloove en [de] gehoorsaemheyt des geloofs door de selve genade totten eynde toe vol-herden souden: ende daertegens de onbekeerlycke en[de] ongeloovige inde sonden en[de] onder den toorne te laten, en[de] te verdoemen als vreempt van Cristo: naer t’woort des H.Evangelii bij Joh. 3.36 Wie in den Sone gelooft die heeft het eeuwige leven, en[de] wie den Sone ongehoorsaem is en sal het leven niet sien, maer den toorne Godes blijft op hem: ende andere plaetschen der Schriftueren meer.
II. Dat desen volgende JesusChristus de Salichmaker des werelts voor alle ende yeder mensche gestorven is, alsoe dat hyse alle door den doot des cruyces de versoeninge en[de] vergevinghe van sonden verworven heeft,al-soe nochtans dat niemant deselve vergevinge der sonden datelyck geniet dan de geloovige: mede naer twoort des Evangelii by Johannem aent 3e Capittel vs. 16. Soo lieff heeft Godt de werelt gehadt dat hij sijnen eenigen Sone gegeven heeft opdat alle die in hem gelooft niet en vergaen maer het eeuwige leven hebben: en[de] inden eersten brieff Johannis int II e Captttel vs 2. Hy is de versoeninge voor onse sonden, en[de] niet alleene voor onse maer voor des gantschen werelts sonden.
III. Dat de mensche t’salichmakende geloove van hem selven niet en heeft, noch uyt cracht van synen vryen wille, alsoe hy in den staet der afwyckinge en[de] der sonde niets goets dat waerlyck goet is (gelyck insonderheyt is het salichmakende geloove) uyt en[de] van hemselven can dencken, willen, ofte doen, maer dat het van noode is dat hy van Godt in Christo door synen H. Geest werde herboren en [de] vernieuwt in verstant, affectie off wille, en[de] alle crachten, op dat hy het ware goet te rechte moge verstaen, bedencken, willen, en[de] volbrengen naer twoort Christi Joh. 15.5. Sonder my en cont ghy niet doen.
IIII. Dat dese genade Godes is het beginsel, de voortgangh, en[de] volbren-ginge alles goets, oock soe verre dat de wedergeboren mensche selfs sonder dese voorgaende ofte voorcomende, opwecken[de], volgen[de] en[de] mede-werckende genade noch het goede dencken, willen ofte doen can, noch oock eenige tentatie ten quaden wederstaen: soe dat alle goede daden, ofte werckinghen, diemen bedencken can de genade Godes in Christo moeten toeges[chreven] werden: Maer soe vele de maniere vande werckinge derselve genade aengaet, die en is niet onwederstandelyck; want daer staet van velen geschreven, dat sy den H.Geest wederstaen hebben. Act.7 en[de] elders, op vele plaetschen.
V. Dat die Jesu Christo deur een ware geloove syn innegelyft, [ende] oversulcx syns levendichmakenden Geestes deelachtich syn geworden overvloedige cracht hebben om tegens den Satan, de sonde, de werelt [ende] haer eygen vleesch te stryden, ende[de] overwinninge te vercryghen, welverstaende altyt door den bystant van[de] genade desselvigen Geestes: ende dat Jesus Christus haer deur synen Geest in allen tentatien bystaet, de hant biet, en[de] soo sy maer alleene ten stryde bereydet syn, ende syn hulpe begeeren, en[de] in geenen gebreke syn, staen[de] houdt; alsoe datse door geen listicheyt noch gewelt des Satans verleyt ofte uyt Cliristi,handen connen getrocken worden; naer t’woord Christi Joh. 10, niemant en salse wt myne hant rucken. Maer off deselve niet en connen door nalaicheyt het beginsel haers wesens in Christo verlaten, de tegenwoordige werelt wederom aennemen, vande heylige leere hen eentmael gegeven afwycken, de goede conscientie verliesen, de genade verwaerloosen soude eerst moeten naerder uyt de h. Schriftuyre ondersocht syn, eer wy tselve met volle versekeringe onses gemoets souden connen leeren.
Dese puncten alsoe voorgedragen en[de] geleert, houden wy Godes woort in alle manieren conform en[de] gelyckformich te wesen, stichtelyck en[de] in deze materie genouchsaem ter salicheyt, sonder dat het van noode ofte oock stichtelyck sy hooger te climmen ofte lager te dalen.
Dese ronde openinge aen hare Ed. Mog. gedam ende alsoe claer-lyck verthoont synde hoe onwarachtich het is dat wy off yemant dien wy kennen de Christelycke Gereformeerde Religie toegedaen yet inde selve Religie souden willen veranderen, alsoe de voors[chreven] poincten soe verstaen en[de] geleert synde als wy deselve verstaen en[de] leeren niet alleene de Confessie en[de] Catechismus in haer geheel blyven, maer oock in haren rechten sin en[de] meeninge om oprechte harmonye en[de] eendracht met alle Gereformeerde kercken in Europa te houden genomen en[de] verstaen worden, ende dat tgene wy voorders opde voors[chreven] schriften hebben aen te mercken nyet soodanich en is off wanneer schoon eenige verbeteringe daerinne naer onse meyninge gechiede, deselve Christelycke Gereformeerde Religie en soude inden gront en[de] in substantie blijven de selve diese tegenwoordich is, sonder eenige verminderinge van t’aensien en[de] auctoriteyt die deselve toecompt in de kercke Godts nae syn woort:
sal voorts ootrnoedelyck aaen hare Ed.Mog. werden versocht en[de] gebe-den, dat het haere Ed.Mog. gelieve op allen desen volgens d’auctoriteyt haer in kerckelycken saken als hoogeChristelyckeOverheden deser landen en[de] kercken van Godt verleent rypelyck te letten, en[de] tselve doen[de] voor eerst te maken dat hare Ed. Mog. synde by een yegelyck erkent als die gene die d’opperste opsicht en[de] t’hoochste gebiet over kerckelycke en[de] wereltlycke saken onder Godt en[de] nae syn woort toecompt (welck punct wy oock verstaen naer Godts woort geleert ende gehanthaaft te moeten werden) wy in eene wettige vrye Synodale vergaderinge onder hare Ed. Mog. auctoriteyt presidentie, beleyt, medeoordeel en[de] moderatie te houden, volcomelyck gehoort, en[de] onse reden behoorlyck overwegen synde, ofte de voors[chreven] leerstucken naerder ingesien, en[de] onderzocht, ofte, soe dat niet gevouchlijck geschieden can, wij malcanderen ten wedersyden daerinne dragen en[de] dulden, sonder dat voorts yemant, hy sy in kercken ofte schooldiensten, noch voor het tegenwoordige, noch voor het toecomen[de], noch voor die gene die alreede deselve diensten betreden, noch oock voor die die in toecomende tyden tot deselve geroepen mochten werden om de voors[chreven] leer-puncten soese hier voor ten wedersyden verclaert staen, verdacht, gesuspecteert, gewraect, off in t’minste beswaert sal worden: ofte, soemen dat niet doen en will men ons wt het woort Godes beter onderrechte: met voorder versoeck en[de] bede aen hare Ed. Mog. dat hun gelieve ons en[de] onse diensten te nemen in hare Ed. Mog. protectie en[de] sauvegarde tegen alle kerckelijcke censuyren die ter oorzaken van[de] voors[chreven] onse Remonstrantie metten aencleven vandien tegen ons te ge-lycke off eenen yegelycken van ons int besonder aengeheven souden mogen worden.
Protesterende midt desen voor Godts en[de] syne H. Gemeynte, mitsgaders voor hare Ed. Mog. jae voor de gantsche werelt, dat dit onse doen geensins en strect tot eenige partyschap, tweedracht, afsonderinghe, ofte scheuringe tsy in de kercke ofte in de politye, veel weyniger tot eenige veranderinge van Religie: maer dat onse meyninge anders niet en is dan ons van[de] vreemde suspicien daermede wy nu eenen geruymen tyt binnen en[de] buyten lants beswaert syn geweest met deze ronde vrywillige openin-ge en[de] verclaringe onses bedenckens te bevryden, verbeteringe ofte beter onderrichtinghe, ofte emmers duldinge ten wederzyden in vrede en[de] liefde te versoecken; ofte, soe wy tegen alle onse hope en[de] verwachten geen van allen en conden verwerven, en[de] dienvolgende onse publycque diensten niet langer met goede conscientie en[de] met vrede en souden mogen bedienen en[de] betreden, door bevel onser Overheyt gewillige afstant daervan te doen, omme dan voorts Godt en[del onsen naesten te dienen soe wy in conscientie nae Godts woort, altyt d‘ onderdanicheyt die wy der Overheyt schuldich syn onverseert en[de] ongequetst sullen be-vynden te behooren. Aldus gedaen desen XIIIen Januarii a[nn]o XVIC en[de] X.

Adr. van[den] Borre
J.Wtenbogaert
Petrus Bertius
Eduardus Poppius
Joannes Arnoldus
Theoph. Ryckewaert
Isebrandus Guilielmius
Jacobus Muersius Bernardus Duinglo
Petrus Cupus
D.H.Herbers
Isahacus Frederici
Nicolaus Grevincho-vius
Petrus Cuylius
Abrahamus Vliet
Joannes Cornelius Cuylemarmus
Wilhemus Lomannus
Pieter Valck
Henricus Reinerius predicant tot Noorden
Cornelius Martini predicant tot Swam-[m}erdam
Wouter Corneliss. predicant tot Sluypwyck
Jan Jans predicant tot Leyderdorp
Ysbrant Reyersz. praedicant tot Sassenhem
Matthaeus Adriani Burgius
Henricus Henrici Geesteranus, predicant tot Assendelpht
Joannes Everardi van Velsen predicant Int ‘s graven van Egmonts hoeif en[de] tot Egmont op Zee
Henricus Spudaeus
Egbertus Verhoeven
Simon Egberti Episcopius
Theodorus Swaen
Casparus Barlaeus
Johannes a Galen
Philippus Pynacker
Andreas Volkeri
Nicolaus Osterhaern mr. tot Noorden
Joannes de Greff dienaer tot Heusden Nicolaus Bodecherus predicant in Loosdrecht aen die nieuwe kercke
Herboldus Thombergius
Daniel Wittius
Adriaen Simonszn.
Adriaen Claessoen
Arie Volkertss.
Gerhardus Joannis Velsius
Jerernias Tyckmakerus